RechtsActueel hield naar aanleiding van de oorlog in Libië een vraaggesprek met N-VA Kamerlid Theo Francken.
RECHTSACTUEEL: Beste heer Francken, u bent waarschijnlijk het meest bekend van de, vaak uit context getrokken, uitspraak “Besef dit goed, we go to war”. U hebt tijdens die zitting gestemd voor Belgische deelname aan de oorlog in Libië. Waarom?
Theo Francken: Eerst en vooral probeerde ik mijn collega’s duidelijk te maken dat de opdracht die ons voor de boeg stond geen evidentie was. In de gezamenlijke commissie hing op dat ogenblik een sfeer waarbij iedereen dacht dat we de situatie in Libië snel zouden kunnen oplossen door de druk op Kadhafi op te voeren via luchtaanvallen. Het deed me denken aan een passage in mijn geschiedenisboeken waarbij men de sfeer tijdens het begin van de Eerste Wereldoorlog beschrijft: Iedereen dacht toen voor Kerstmis terug thuis te zijn. Ik probeerde mijn collega’s bijgevolg te waarschuwen voor de gevaren van deze missie – de Libïers beschikten over een niet te verwaarlozen luchtdoelcapaciteit- evenals de mogenlijke impact op financieel vlak. Voor het regime van Kadhafi is dit namelijk een existentiële strijd en ze zouden hun macht niet zonder slag of stoot afstaan. Het einde van ‘hun Libië’ zou wel eens gepaard kunnen gaan met het einde van hun bloedlijn…
De situatie was op dat ogenblik weliswaar erg dringend. De troepen van Kadhafi stonden op het punt om een bloedbad aan te richten in Benghazi, iets wat onaanvaardbaar is zo dicht bij huis. We zijn er bijgevolg op uitgetrokken om het Responsability-to-protect beginsel te verdedigen. Het doel dat we hierbij vooropstelden was het verhinderen dat een dictator zijn bevolking op een systematische manier zou uitmoorden. Een bevolking die vroeg om meer democratie een rechtvaardige verdeling van de nationale rijkdommen. De context van de Arabische lente maakte ook dat deze interventie een sterk signaal de wereld moest sturen waarbij de Westerse wereld duidelijk maakte dat we geen bloedige onderdrukking van protestbewegingen zouden tolereren. Helaas dat het regime van Assad van ons aanslepend engagement in Libië misbruik probeerde te maken om op een bloedige manier snel orde op zaken te stellen in Syrië. Daarbij komt dat we voor Libië een duidelijk mandaat hadden van de VN en voor Syrië spijtig genoeg niet.
RECHTSACTUEEL: Gaat het in uw visie over een oorlog in Libië of een interventie? Wat is voor u het verschil tussen beide termen?
Theo Francken: De jure gaat het hier niet over een oorlog. De internationale gemeenschap is in Libië geïntervenieerd op vraag van de VN en de Libische opstandelingen zelf. Vooraleer er sprake kan zijn van een oorlog moet er een officiële oorlogsverklaring gebeuren aan het adres van het regime van Kadhafi.
De term ‘oorlog’ heb ik in mijn interventie gebruikt omdat het de facto slaat op een conflict van hoge intensiteit en langere duur. Wanneer men spreekt van een ‘interventie’ dreigt men de hele inspanning te verheerlijken door het af te schilderen als een ‘react & extract’ operatie die hooguit enkele dagen zou duren. Maar strikt gesproken is ons engagement in Libië een interventie en geen oorlogdeelname.
Het is trouwens beter om te spreken van een conflict van hoge, medium of lage intensiteit (afhankelijk van het aantal slachtoffers dat in een bepaalde tijdspanne valt). Tegenwoordig zijn oorlogsverklaringen een rariteit geworden en spreekt men eerder van conflicten.
RECHTSACTUEEL: Aangezien een argument voor het engagement in Libië het beschermen van de burgers is, hoe staat u tegenover de verwikkelingen in Turkije waar de repressie tegen de Koerden verdergaat zonder genade? Of de onderdrukking van het Polisario door Marokko in de Westelijke Sahara?
Er moet een duidelijke lijn worden getrokken tussen deze cases, wat niet gemakkelijk is zonder hypocriet te klinken. Je had even goed kunnen vragen waarom we niet in Syrië of Bahrein zijn tussengekomen. Het antwoord hierop is dat men hiervoor geen mandaat heeft gekregen van de internationale gemeenschap, noch van het de autochtone bevolking zelf. Er moet eerst een internationaal draagvlak zijn voor zulk engagement voordat men hier kostbare middelen aan gaat toewijden. We hebben nu eenmaal niet de financiële of militaire middelen om overal ongevraagd binnen te stormen om orde op zake te stellen, hoe ernstig de situatie ook is.
RECHTSACTUEEL: Hoe we het ook draaien of keren, problemen in welk land dan ook hebben een impact op ons leven. Hoe staat u tegenover de steeds verdergaande globalisering?
Theo Francken: De vraag of we voor of tegen globalisering zijn is eigenlijk een zinloze discussie. Globalisering is een feit. Toen Goldman Sachs tien jaar geleden op de proppen kwam met haar rapport over de BRIC-landen, dachten politici en diplomaten nog dat het zo’n vaart niet zou lopen. De val van Lehman en de economische crisis van 2008 heeft de machtsverhoudingen danig herschud. Vandaag heeft China een dikke vinger in de pap te brokken in de monetaire politiek van de Verenigde Staten, en ook Europa zal niet immuun blijven als we de schuldencrisis bekijken. We evolueren noodgedwongen naar een multipolaire, of zelfs naar een non-polaire wereldorde. Het gaat trouwens niet alleen over China, maar ook over Brazilië, Indië, Turkije …
De vraag die we ons nu moeten durven stellen is: hoe passen we ons aan aan de veranderingen die op ons afkomen. Een Europees buitenlands- en veiligheidsbeleid moeten de plaats van Europa in de 21ste eeuw op de kaart waarborgen. Daarnaast zullen we ook interne uitdagingen aan moeten gaan om concurrentieel te blijven ten aanzien van de nieuwe groeimarkten: een hervorming van ons arbeidsstelsel, pensioenhervormingen, een rechtvaardig migratiebeleid en een duurzame energiepolitiek waarbij de economische, de ecologische en de sociale belangen in evenwicht zijn. Ik beschouw globalisering als een uitdaging, niet als een gevaar dat op ons afkomt. Maar dan moeten we wel goed gewapend zijn om deze uitdaging aan te gaan.
RECHTSACTUEEL: Door de globalisering zijn onze economische belangen ook veel internationaler dan vroeger, net zoals de belangen van bijvoorbeeld de Amerikanen. Hoe staat u tegenover het interventionistische beleid van de V.S.A?
Theo Francken: Het interventionistische beleid van de V.S.A. is niet meer wat het geweest was zoals tijdens de Bush-jaren. Onder Obama ligt de nadruk meer op de multilaterale oplossing in plaats van de ‘unilaterale’ interventie. Een typevoorbeeld hiervan is opnieuw Libië waarbij de VS initieel pas reageerde na een mandaat van de VN, waarna men al heel gauw een passieve, ondersteunende rol opnam onder druk van de isolationistische lobby in de VS. De huidige financiële situatie laat hen ook niet meer toe om avonturen te ondernemen zoals ten tijde van het Bush-tijdperk. Deze acties zijn het fragiele evenwicht in de wereld niet ten goede gekomen. In een interdependente wereld kan een land alleen niets meer forceren maar is men gedwongen om via internationale fora tot een multilaterale oplossing te komen.
RECHTSACTUEEL: Gekoppeld aan vorige vraag: hoe staat u tegenover de NAVO? Dient Europa daar geen alternatief voor op te richten?
Theo Francken: De NAVO speelt vandaag de dag nog steeds de eerste viool. Ik denk niet dat Europa moet streven om eerst en vooral een alternatief op te richten, maar moet werken om enerzijds zijn capaciteiten beter op elkaar af te stemmen en de complementariteit met de NAVO te optimaliseren. Werken met dubbelstructuren brengt immers altijd het gevaar met zich mee van een institutionele competitie waarbij het voortbestaan van een organisatie op het spel staat. In de huidige situatie waarbij financiële middelen schaars zijn is het trouwens beter om zich te richten op efficiëntie in plaats van alternatieven. Europa is trouwens in de verste verte nog niet klaar om dezelfde opdrachten uit te voeren zoals de NAVO nu doet. Het ontbreekt hen niet alleen aan financiële middelen of een daadkrachtige politieke besluitvorming. We moeten daarenboven de realiteit ook onder ogen zien. Het is vandaag de dag niet evident om een militaire operatie tot een goed einde te brengen zonder de steun van de Amerikanen.
RECHTSACTUEEL: Hoe ziet uw ideale Europa eruit?
Theo Francken: Alvast geen ‘Verenigde Staten van Europa’, als dat uw vraag gedeeltelijk beantwoordt. Europa moet optreden op de vlakken waarbij schaalvergroting een meerwaarde oplevert, niet alleen voor de lidstaten maar vooral voor de Europeanen zelf: ik denk dan aan het buitenlandse en het defensiebeleid, maar evenzeer op vlakken als migratie en energie. Europa mag niet evolueren naar een bureaucratisch bolwerk van mandarijnen en uitgerangeerde nationale politici. Kijk maar naar de diplomatieke dienst van Mevrouw Ashton: terwijl het Tahrirplein in brand stond was de External Action Service vooral bezig met een interne stoelendans tussen nationale diplomaten en Europese ambtenaren.
RECHTSACTUEEL: Tot slot nog een vraag die wat los staat van de rest. Hoe staat u tegenover de hereniging van Vlaanderen met Nederland?
Theo Francken: Los van de historische en culturele banden denk ik dat een hereniging op dit moment niet echt aan de orde is. Een doorgedreven samenwerking daarentegen beschouw ik wel als een noodzaak. En hierin moeten we verder durven gaan dan traditionele thema’s zoals culturele samenwerking of de Nederlandse Taalunie, maar moeten we ook nieuwe onderwerpen durven aanboren: ontwikkelingssamenwerking bijvoorbeeld, maar ook defensie. Ik ben hevig pleitbezorger voor een leger van de lage landen. Zo kunnen we het Belgisch leger alvast doen ‘verdampen’ in een groter geheel.
RECHTSACTUEEL: Wij danken u voor dit vraaggesprek.
Theo Francken is lid van de partijraad van de N-VA, lid van het partijbestuur, lid van de Strategogroep en afdelingsbestuurslid te Lubbeek. Bezoek zeker: www.theofrancken.eu alsook: www.migratieblog.be






Pingback: Vraaggesprek Theo Francken | RECHTS ACTUEEL